De Britse apotheker Luke Howard maakte in 1802 een wereldwijd geaccepteerde classificatie van wolken. Hij gebruikte hiervoor een systeem dat erg leek op het classificatiesysteem van planten- en dierensoorten dat Linnaeus al eerder ontwierp. Hij ontleende de namen voor de verschillende wolken aan het Latijn. Sinds 1802 hebben er verschillende wijzigingen plaatsgevonden in het systeem van Howard.
Het belangrijkste kenmerk voor de determinatie is de hoogte van de wolk. In de praktijk is het niet zo gemakkelijk om de hoogte van een wolk vast te stellen. Elke hoogte heeft zijn specifieke wolkensoorten. Zo kun je ook andersom van bepaalde bekende wolkentypen de hoogte van de wolk ongeveer afleiden.
Er zijn vier hoofdtypen, ook wel wolkenfamilies genaamd:
- Lage bewolking
- Middelbare bewolking
- Hoge bewolking
- Cumuliforme bewolking, die zich niets van de drie etages hierboven aantrekt (dus basis onder de 2 km hoogte, toppen boven de 6 km hoogte). Voor de tropen en de poolstreken gelden andere criteria.

Lage bewolking
De lage etage van de atmosfeer kent vier wolkengeslachten:

De basishoogte van deze wolken ligt binnen de gematigde breedten tussen 0 en 2000 m (0 tot 6500 voet). Mist is ook laaghangende bewolking die tot de grond reikt en behoort wanneer het van de grond komt tot het geslacht stratus.
Wolken halverwege de troposfeer, tussen 2000 en 5500 meter (6500 en 16500 voet), worden middelbare wolken genoemd. Er worden drie geslachten onderscheiden:
- Altocumulus (Ac) (ook wel schaapjeswolk)
- Altostratus (As)
- Nimbostratus(Ns)

Hoge bewolking
Wolken die boven een hoogte van 5500 meter voorkomen, bestaan meestal volledig uit ijskristallen. Ze lijken heel langzaam te bewegen of zelfs stil te staan, maar door de grote hoogte geeft dat een vertekend beeld: in werkelijkheid gaan ze snel, soms meer dan 100 km/uur. Veel van deze wolken hebben een draderige, harige of veerachtige structuur. De Latijnse hoofdnaam voor deze vederwolken is cirrus (Latijn voor “haarlok”). Er worden drie geslachten onderscheiden:





